Back to Basic #4 – Het doek valt

Back to Basic #4 – Het doek valt

In deze vierde editie van ons onregelmatig terugkerend bulletin “Back to Basic” zal worden stilgestaan bij het oudste gepubliceerde arrest op het gebied van het ontslag op staande voet. Het gaat om het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 1914.

 

De zaak draait om twee toneelspelers, die in dienst waren van een toneelgezelschap. Het toneelgezelschap heeft de toneelspelers op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De toneelspelers eisten herstel van de arbeidsovereenkomst, omdat volgens hen geen sprake zou zijn van werkweigering.

 

In de procedure ontstond een discussie met betrekking tot de vraag wie de werkgever was (een samenwerkingsverband, twee privépersonen of een naamloze vennootschap) en of er voldoende grond was voor een ontslag op staande voet.

 

In de kern draait het om het volgende (geniet mee van het “Oud-Hollandsch” taalgebruik):

 

“dat tusschen hen als gezamenlijk handelende onder de benaming “Het [A]” en de eischers, eene arbeidsovereenkomst heeft bestaan, krachtens welke de eischers als tooneelspelers rollen hadden te vervullen in tooneelstukken door de verweerders in hun schouwburg op te voeren; dat echter de eischers hadden nagelaten om, – niettegenstaande zij daartoe vooraf waren gesommeerd – aan gewichtige repetities van op te voeren toneelstukken deel te nemen; dat daarop de verweerders de dienstbetrekking onmiddellijk hadden doen eindigen (…)”

 

De acteurs zijn dus niet naar (belangrijke) repetities gekomen, terwijl zij dat volgens het toneelgezelschap wel hadden gemoeten. In de procedure vorderen de toneelspelers herstel van hun arbeidsovereenkomst. Het toneelgezelschap voert verweer tegen die vordering en stelt zelf een tegenvordering in. Het toneelgezelschap meent schade te hebben geleden doordat zij de arbeidsovereenkomst per direct heeft moeten beëindigen en wil die schade vergoed zien.

 

Op het eerste oog lijkt het wellicht vreemd: als werkgever van de werknemer schadevergoeding vorderen voor het op staande voet ontslaan van de werknemer. Maar: ook tegenwoordig staat die mogelijkheid nog in de wet, namelijk in artikel 7:677 lid 2 BW. Dat artikellid bepaalt dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen aan de wederpartij een vergoeding is verschuldigd als die wederpartij de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk onverwijld heeft opgezegd. Dit kan dus beide kanten op werken: de werkgever kan aan de werknemer een vergoeding verschuldigd zijn en omgekeerd. Die vergoeding is tegenwoordig bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds kan worden opgezegd gelijk aan het loon, dat gedurende een opzegtermijn had moeten worden betaald (artikel 7:677 lid 3 sub a BW). Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd is de schadevergoeding gelijk aan het loon dat nog had moeten worden betaald voor de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst.

 

De schadevergoeding kan dus hoog oplopen. Het is dan ook begrijpelijk dat de toneelspelers zich met handen en voeten hebben verweerd tegen die vordering en tot aan de Hoge Raad hebben geprocedeerd over het herstel van hun arbeidsovereenkomst. De toneelspelers voerden daarbij een formeel en een materieel verweer aan. Het formele verweer hield in dat het toneelgezelschap niet bevoegd was de vordering in te stellen, omdat eigenlijk een naamloze vennootschap met de naam Frascati Ensemble de werkgever zou zijn. Helaas voor de toneelspelers ging die vlieger niet op. Volgens de rechters van alle drie de instanties (kantonrechter in eerste aanleg, rechtbank in beroep en nu Hoge Raad in cassatie) was de arbeidsovereenkomst al aangegaan voordat de NV is opgericht. Omdat die vennootschap bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nog niet bestond, konden de toneelspelers ook niet bij die vennootschap in dienst zijn getreden. De vordering was dus terecht ingesteld door (de privépersonen achter) het toneelgezelschap.

 

Het materiële verweer zag op de vraag of het niet deelnemen aan de repetities een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De Hoge Raad oordeelt dat die vraag niet in algemene zin kan worden beantwoord, maar aan de hand van de (in bijna alle rechtszaken terugkomende leus) “omstandigheden van het geval” moet worden beoordeeld. De Hoge Raad moet zich bij dat oordeel baseren op de feiten zoals die in de eerdere instanties zijn vastgesteld. Daarom worden die eerdere instanties ook wel de feitelijke instanties genoemd. Volgens de Hoge Raad is in de procedures bij de feitelijke instanties voldoende aannemelijk geworden dat het wegblijven van de belangrijke repetities een reden voor ontslag op staande voet oplevert.

 

Voor de zaak van de toneelspelers is het doek gevallen. In de uitspraak van de Hoge Raad wordt niets gezegd over de hoogte van de schadevergoeding. Saillant detail is dat de toneelspelers worden veroordeeld in de kosten van de procedure ter hoogte van zes gulden zestig cent aan verschotten (onder meer kosten van de rechtbank of deurwaarder) en honderdtwintig gulden aan salaris advocaat.

Gepubliceerd op